Achter de deuren van de dood (deel 1: de uitvaartondernemer)

Er hangt een zweem van mysterie en onbekendheid rondom het werken in de uitvaartbranche. Alles rondom de dood is sowieso voor veel mensen een lastig onderwerp, laat staan als je er je beroep van hebt gemaakt. Wat beweegt iemand om het laatste afscheid van een persoon als werkterrein te hebben? Wat houdt het vak in? Is het een roeping, een bewuste keuze? Wat betekent het voor je persoonlijke leven als je in de uitvaartbranche werkt? In deze serie spreekt Cick Geers met mensen die hun werk uitvoeren rondom de dood. 


Op weg naar Frederiksoord voor een gesprek met Serry Kiers; samen met haar man Sako runt zij sinds de negentiger jaren een uitvaartbedrijf dat werk biedt aan 10 medewerkers. Uitvaartverzorging Kiers werkt veelal in de regio en staat bekend om haar persoonlijke aanpak en kwaliteit. Ik parkeer mijn auto en loop naar het gebouw. Ondanks de vriendelijke uitstraling, voel ik toch meteen een soort triestheid in me opkomen; ook ik ben blijkbaar in de stereotype overtuiging dat de dood een beetje creepy en duister is. Wanneer ik plaats neem in de ontvangstruimte treedt Serry me vrolijk lachend tegemoet. Ze stelt zich voor en steekt van wal; aan alles merk je dat deze vrouw gewend is met mensen om te gaan; ik voel meteen mijn spanning wegebben.

Het werk van uitvaartverzorger zit haar en man Sako in het bloed. Het bedrijf is allround; een eigen drukkerij, ruime kistenvoorraad, eigen rouwwagens en een uitvaartcentrum  maken dat ze volledig in eigen beheer een uitvaart kunnen verzorgen. ‘Het werk is belastend’, steekt Serry van wal. ‘We staan 365 dagen per jaar, 7 dagen per week, 24 uur per dag stand-by’. Ik vraag me oprecht af of dit  werk überhaupt te plannen valt. Serry lacht: Het werk zelf is goed te plannen, het móet zelfs goed gepland worden omdat er in een paar dagen tijd heel veel geregeld moet worden. Het is veel werk in een korte tijd waarbij je je ook nog eens geen fouten kunt veroorloven. Een afscheid is eenmalig; je kunt het niet overdoen’. Op welk moment de planning gaat lopen is steeds weer de vraag; de dood kondigt zich doorgaans niet aan. ‘Het werk is iedere dag anders; we zeggen weleens gekscherend: het is hier doodstil of stervensdruk!’.

Op mijn vraag hoe het proces na een overlijden verloopt antwoordt Serry: ‘Wanneer iemand thuis overlijdt, bel je eerst de huisarts en daarna de uitvaartverzorger. De huisarts moet het overlijden constateren; hij geeft een papieren verklaring af waarop hij aangeeft of er sprake is van een natuurlijke of niet-natuurlijke dood. Daarnaast vult hij een zgn. B-formulier in voor het Centraal Bureau voor de Statistiek; hierop wordt de doodsoorzaak aangegeven. Dit wordt verwerkt in de landelijke statistieken. Bij (vermoeden van) een niet-natuurlijke dood wordt door de arts de politie ingeschakeld’. Wanneer start het werk voor de uitvaartverzorger dan? ‘De uitvaartverzorger komt vrijwel direct in actie. De uitvaart moet plaatsvinden binnen 6 werkdagen na het overlijden. Je kunt je voorstellen dat er in 6 werkdagen een hoop praktische dingen geregeld moet worden’. Serry somt de zaken op: ‘De overledene moet verzorgd en opgebaard worden, gebeurt dat thuis of ergens anders? Er moet ruimte gereserveerd worden in een uitvaartcentrum. Eventueel een kerkdienst geregeld, vervoer, kaarten, advertenties, bloemen, sprekers, muziek… Het is een lastige combinatie: beslissingen nemen en verdriet hebben. Vandaar dat de uitvaartverzorger bij ons in stappen werkt. Hij of zij neemt de familie aan de hand mee en loodst ze door het proces van beslissen en afwegen. We verzorgen de overledene (al dan niet samen met familie), stellen de rouwkaarten en –advertentie op en bezoeken, in deze hectische dagen na het overlijden, dagelijks de familie. Iedere dag zetten we een stapje in het uitvaartproces. Zo hopen we dat de familie niet overvoerd raakt met keuzes en kunnen we ze ondersteunen met onze ervaring’. Serry vertelt verder: ‘Als uitvaartverzorger ken je de gevolgen van een overlijden; je weet welk verdriet er speelt in die eerste dagen, welke vragen er leven en waar de familie doorheen moet. Het is onze taak hen hier zo goed mogelijk in bij te staan’.

Ik vraag me af of het werk in deze branche je niet verschrikkelijk raakt; of het je verandert.  Je bent immers constant in situaties waar het verdriet overheerst. Serry denkt even na en antwoordt dan resoluut: ’Weet je, hoezeer je als uitvaartverzorger ook meeleeft met de familie, het is niet jouw verdriet. Ik vergelijk het weleens met een glazen wand. Je kunt me zien; je hebt contact, ik ben dichtbij en zie jou ook. Maar het verdriet zal mij, op een uitzondering na, niet raken. Dat kan ook niet; anders hou je dit werk niet vol!’