Achter de deuren van de dood (deel 18: de notaris)

Er hangt een zweem van mysterie en onbekendheid rondom het werken in de uitvaartbranche. Alles rondom de dood is sowieso voor veel mensen een lastig onderwerp, laat staan als je er je beroep van hebt gemaakt. Wat beweegt iemand om het laatste afscheid van een persoon als werkterrein te hebben? Wat houdt het vak in? Is het een roeping, een bewuste keuze? Wat betekent het voor je persoonlijke leven als je in een branche werkt waar de dood een (prominente) rol speelt? In deze serie spreekt Cick Geers met mensen die hun werk uitvoeren rondom de dood.


‘Ik was nog niet zo heel lang werkzaam als zelfstandig notaris. Het was weekend. Na een drukke week ploffen mijn partner Jan en ik op de bank: we kijken uit naar een luie tv-avond onder het genot van chips en een drankje. Dan gaat de telefoon. Het is de klerk van een collega-notariskantoor. Hij kan ‘zijn’ notaris niet te pakken krijgen en er moet met spoed een testament gemaakt worden voor iemand waarvoor vanuit het ziekenhuis gebeld is. Ik kijk Jan aan en we realiseren ons dat de fles wijn die avond nog even gesloten blijft.  Er is voor een notaris soms ook buiten de kantoortijden werk aan de winkel…’

Dina van Linge vertelt het met een glimlach om haar mond. Ze geniet duidelijk van haar vak als notaris. Na haar opleiding aan de Rijksuniversiteit in Groningen, waar ze in 1991 afstudeert, werkt ze eerst als kandidaat-notaris waarna ze in 2001 benoemd wordt tot notaris in Hoogeveen. Zo’n 30% van haar werkzaamheden bevinden zich op het vlak van het familierecht; een deel daarvan heeft te maken met het opstellen van de laatste wil van een persoon: het testament.

Dina vertelt: ‘Bij het opstellen van een testament is het belangrijk dat je als notaris goed onderzoekt wat de werkelijke wens is van de betreffende persoon. Wat wil hij of zij na haar dood en is dat echt de wil van de persoon of spelen anderen een rol?’ Dina is daarom altijd erg bedacht op financieel misbruik. ‘Als notaris heb je een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ouderenmishandeling komt vaker voor dan je denkt. Bij het opstellen van een testament komt dan ineens een familielid naar voren die bepaalt wat de vermogende vader, moeder, tante of oom in het testament moet zetten. Daar ben ik alert op. Notarissen kunnen altijd een melding maken bij meldpunt ‘Veilig Thuis’. Daarnaast is het van belang dat de persoon in kwestie wilsbekwaam is. Hij of zij moet in staat zijn te vertellen wat zijn wensen zijn. Is dat niet het geval, dan kan er geen testament opgemaakt worden. Daar is geen twijfel over mogelijk’.

De meeste testamenten worden op de ‘langst levende’ gemaakt. In de praktijk betekent dit dat de partner die het eerst komt te overlijden zijn bezittingen volledig nalaat aan de achterblijvende partner. De meeste echtparen maken hun testament dan ook gezamenlijk op. Een testament is echter altijd een persoonlijk document. Je mag het los van je partner, en ook zonder medeweten van je partner, aanpassen en herzien wanneer je maar wilt. ‘Zoals die grap van die man die in de ochtend samen met zijn vrouw een testament komt maken en vervolgens alleen terugkeert om zijn minnares er ook in te vermelden, zoiets bedoel je?’, vraag ik lachend. Dina kijkt serieus. ‘Dat kan en dat gebeurt… daar heb je als notaris geen zeggenschap over. Al heb ik natuurlijk wel de meldingsplicht wanneer er zaken in een testament opgenomen moeten worden die de wet overtreden’.  Ze valt even stil en zegt dan: ‘Tja, dat zal voor de echtgenote geen prettige ontdekking zijn na het overlijden van haar man. Maar goed, zo is de wet en zo voeren we ‘m uit’. Vervolgens legt Dina uit dat een testament na ondertekening opgenomen wordt in het centraal testamentenregister. ‘Hoe vaak je ook verhuisd bent, waar je ook woont wanneer je sterft; iedere notaris in welke plaats dan ook is in staat je testament terug te vinden en de nabestaanden te informeren. Dan komt de echte reden van het opstellen van het testament naar voren: de laatste wil van de inmiddels overleden persoon wordt geopenbaard en ten uitvoer gebracht’.

Voordat ik vertrek vraag ik Dina hoe het verhaal van het ziekenhuistestament nu is afgelopen. Ze lacht en zegt: ‘Meneer was, toen ik aankwam in het ziekenhuis, niet meer aanspreekbaar.  Met alles wat ik je verteld heb, kun jij nu wel bedenken dat Jan en ik die avond dus toch een fles wijn hebben kunnen open trekken. Er werd geen testament gemaakt… ’